Haar lijf is doortrokken van den lentereuk der hyacinthen….en weer is er het nevelig voelen van allerhande geluk..
Dan is alles weer stil en ondoordringbaar
Kijk, het vliegtuigje komt eraan, zzzzz
Met zeuren schiet niemand iets op echode het in mijn hoofd
Zij praat niet mee, ze plukt van elke soort een bloem en voegt ze tusschen duim en vinger tot een klein bouquet
Ik kom tot niets vandaag
Niets is blijvend verknoeid.
O, iedereen wordt gek van zijn familieleden.
Wat ik heb overgehouden van dit zo verre en toch zo nabij gebleven verleden is voor mijzelf nooit duidelijk geworden.
‘Het bewijs is geleverd,’ zei ze. ‘Ik ben onzichtbaar.’
Dus. Misschien was ons leven zo mooi dat het alleen maar fout kon gaan.
Kon ik de stilte maar wat harder zetten.
Parlez-moi d’amour, redites-moi des choses tendres. Votre beau discours…
Begon ook dit niet, zoals zoveel, in mijn jeugd?
‘Ik hou van je’
Begeerlijk, dat gevoel overheerste.
Ik heb nooit ‘teringlijer’ gezegd, en áls ik het al gezegd heb, dan bedoelde ik het in de meest positieve zin van het woord.
Het komt er op neer, dat als ik iets niet aankan, of meen dat niet te kunnen, ik verdwijn.